Trouw: Wetgever moet slachtoffers van letselschade te hulp schieten

Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn

15 januari 2020

Te veel slachtoffers krijgen te maken met langslepende letselschadezaken door nalatige verzekeraars die hun eigen gedragscode schenden. Alleen de wetgever kan hier nog ingrijpen, meent letselschadespecialist Johan Oosterhagen. 

De jaarwisseling is voor velen een feest en een frisse start, voor anderen het begin van een nachtmerrie. Al twee jaar op rij is het aantal vuurwerkslachtoffers gestegen, de helft betreft onschuldige bijstanders. In te veel gevallen is het voor slachtoffers ook het startschot van een langdurige letselschadezaak met de verzekeraar.

Hoewel het haaks staat op de Gedragscode behandeling letselschade – door verzekeraars onderschreven – duurt ruim 10 procent van alle letselschade zaken te lang, namelijk vijf tot tien jaar. Voor slachtoffers heeft dit grote gevolgen: zij kunnen zich vaak onvoldoende richten op hun herstel en daarbovenop zorgt dit vaak voor financiële problemen. Daarom moet de wetgever ingrijpen.

Al in 2012 stelde de Letselschade Raad een (nieuwe) gedragscode vast, met tien gedragsregels die door professionele beroepsbeoefenaars, onder wie verzekeraars, worden onderschreven. De regels geven onder andere aan dat verzekeraars binnen veertien dagen na de aansprakelijkstelling de ontvangst moeten bevestigen en direct een onderzoek naar de aansprakelijkheid dienen te beginnen. En dat verzekeraars binnen drie maanden na ontvangst een standpunt moeten innemen over de aansprakelijkheid. Ook staat beschreven dat, als de schadebehandeling langer duurt dan twee jaar, er op initiatief van de verzekeraar moet worden nagegaan wat hiervan de oorzaak is. Ze moeten dan maatregelen treffen om de zaak alsnog snel af te ronden.

De praktijk laat echter zien dat deze regels nogal eens worden geschonden, dat de afwikkeling langer duurt dan nodig en dat slachtoffers van letselschade ook nog eens het slachtoffer worden van nalatige verzekeraars. Een realiteit die in het voorjaar van 2019 door het tv-programma ‘Radar’ werd bevestigd.

Oplopen tegen een muur

In een poging om zelf het afwikkelingsproces te versnellen lopen letselschadeslachtoffers regelmatig tegen een spreekwoordelijke muur op. De beste optie op dit moment is om de verzekeraar op zijn verantwoordelijkheid – en nalatigheid – in het handelen naar de gedragscode aan te spreken. Bijvoorbeeld als hij de ontvangst van aansprakelijkstelling niet tijdig heeft bevestigd of het onderzoek niet op tijd is begonnen. Ook kan na twee jaar een verzoek tot evaluatie worden ingediend.

Een andere optie is om de verzekeraar verantwoordelijk te houden voor de trage afwikkeling van de letselschade. Zo schoot het gerechtshof in Arnhem eind 2018 een letselschadeslachtoffer te hulp door het vaststellen van immateriële schade ( 10.000 euro) door onzorgvuldige en trage behandeling van een verzekeraar.

Behalve dat het zeer onwenselijk is dat letselschadeslachtoffers zélf de verzekeraar op het matje moeten roepen om zich aan de eigen gedragscode te houden, biedt dit geen duurzame oplossing. Een einde aan deze impasse komt er alleen als de wetgever ingrijpt. Alleen die is in staat de gedragsregels vast te leggen in de wet en sancties te verbinden aan het niet naleven van de afspraken. Ook zou de wetgever tuchtrecht kunnen invoeren, zodat letselschadeslachtoffers een officiële klacht kunnen indienen tegen verzekeraars.

De verantwoordelijk minister voerde in februari 2018 een gesprek met de Letselschade Raad over de oorzaken van langlopende letselschadezaken, waarna een onderzoek is begonnen door de Universiteit Utrecht. De resultaten werden vóór de zomer van 2019 verwacht, maar zijn (ironisch genoeg) vertraagd. Nu wordt het dit voorjaar. Voor (toekomstige) letselschadeslachtoffers is het hopen op resultaten die de noodzaak van het ingrijpen van de wetgever onderstrepen.

Lees het artikel op Trouw.nl.

Meer nieuwsartikelen